Etymologie


v2-tekening-ladderzat-jpg.jpg

Herkomst woorden
Wat heeft ladderzat met ladder te maken? En waarom zeg je van iemand die ladderzat is, dat hij een stuk in zijn kraag heeft? Waar komen woorden als pindakaas en allochtoon vandaan? Hoe komen we aan de benamingen van de week? Was er ooit een Aagje die heel nieuwsgierig was? En hoe zijn woordgeslachten ontstaan?

Het begrip Etymologie?
Etymologie is de wetenschap die de herkomst en geschiedenis van woorden onderzoekt. Het woord etymologie komt via het Latijn uit het Grieks. Het bevat de woorden étumos (het ware) en lógos (woord). Letterlijk genomen is etymologie het zoeken naar het ware, de kern of basis, van een woord. Een woord wordt terug in de tijd gevolgd om zijn oudste vorm en betekenis te achterhalen en uit te zoeken hoe deze oorspronkelijke vorm en betekenis zich hebben ontwikkeld tot het woord, zoals we het in zijn huidige vorm kennen.

Sommige woorden hebben een korte geschiedenis, andere daarentegen voeren ons terug in de achtste eeuw. Het woord huis bijvoorbeeld heette toen al hus en woud werd toen al als Walt geschreven.

Leenwoorden daarentegen zijn aan een andere taal ontleend. Neem bijvoorbeeld het woord hangmat, een oud leenwoord uit de Spaanse taal waar het hamaca heet. Bij ons veranderde het in heel korte tijd via handmak in zijn huidige, verbasterde, vorm hangmat.  

De herkomst en geschiedenis van enkele woorden en uitdrukkingen
Het woord allochtoon is een samenstelling van de Griekse woorden allos (ander) en chtoon (land). Letterlijk vertaald betekent allochtoon dus iemand uit een ander land.

Vaak wordt beweerd dat het woord verstandskies te maken heeft met zijn verre stand achterin de kaak, lees vér-standskies. Maar is dat wel zo?
In andere talen wordt deze kies met het verstand geassocieerd, getuige het Engels (wisdom tooth), het Duits (Weisheitszahn), het Russisch (зуб мудрости) en het Frans (dent de sagesse).
Volgens het Etymologisch woordenboek (1997) van Van Dale komen deze kiezen pas ‘met het verstand’,  in de loop de jaren en danken ze daaraan hun naam.  Vroeger werden ze daarom ook wel wijsheidskiezen genoemd. Verstandskies en wijsheidskies voeren terug naar het Latijnse dens sapientiae, 'tand der wijsheid'. En dat is ook de reden waarom de benamingen voor verstandskies in deze talen zo op elkaar lijken; Veel medische termen zijn leenwoorden (leenvertalingen) uit het Latijn, dat lang de voornaamste wetenschapstaal was.

En waar komt het woord pindakaas vandaan? Dit woord brengt ons terug naar Suriname, naar de negentiende eeuw. In Suriname betekent kaas 'smeersel'. Na de 2e WO, toen het broodbeleg in Nederland kwam, is deze oude term voor 'smeersel' overgenomen. Logischer zou het zijn geweest om het pindaboter te noemen, net zoals in het Frans en Engels. Maar in die tijd was boter nog een beschermde term en mocht uitsluitend echte roomboter ‘boter’ genoemd worden.

De term ladderzat stamt uit de studententijd in de negentiende eeuw. Het werkwoord ladderen is studententaal en betekent zoiets als ‘iemand op een ladder thuisbrengen’. Ladderzat zou de samenstelling van de werkwoordstam ladderen en het bijvoeglijk naamwoord zat (dronken) kunnen zijn. Het eerste deel van de samenstelling heeft, net zoals in o.a. straalbezopen, stomdronken en apezat, een versterkend effect. Maar tegen deze theorie bestaan weer bezwaren, omdat ladderzat een betrekkelijk jong woord is.

Van iemand die veel gedronken heeft, wordt ook wel eens gezegd dat hij ‘een stuk in zijn kraag’ heeft. Stuk komt niet van het woord kledingstuk. Sinds de zestiende eeuw wordt de term stuk gebruikt voor vaten met een verschillende inhoud, net zoals het Franse pièce, waaraan dit woord zijn Nederlandse betekenis dankt. Kraag betekende oorspronkelijk niets anders dan ‘hals, keel’ en dit kledingstuk ontleent daaraan zijn naam. In met name Vlaamse dialecten en enkele uitdrukkingen is deze betekenis bewaard gebleven in een uitdrukking zoals ‘een stuk in je kraag drinken’ oftewel grote hoeveelheden alcohol in je keel gieten.

De herkomst van de dagbenamingen
De benamingen van de dagen van de week hebben wij ontleend aan de Germanen en de Romeinen. De Grieken hebben de dagen van de week genoemd naar de hemellichamen, te weten de zon, de maan en vijf planeten (vernoemd naar Griekse Goden). De Romeinen namen deze namen zo over en de Germanen hebben vier godennamen 'vertaald' naar hun eigen goden: Thingsus, Wodan, Donar en Freya.
- ZONDAG: vertaling van het Latijnse dies solis, dat letterlijk ‘dag van de zon’ betekent.
- MAANDAG: vertaling van het Latijnse dies luna, dat letterlijk ‘dag van de maan’ betekent.
- DINSDAG: mogelijk genoemd naar Thingsus, de Germaanse god van de volksvergadering. De herkomst zou ook te maken kunnen hebben met ding in de betekenis van 'vastgestelde tijd voor de rechtszitting'. Vroeger werd mogelijk op de dinsdag rechtgesproken. In het Latijn heette dinsdag dies Martis, de dag van Mars, de oorlogsgod.
- WOENSDAG: genoemd naar de Germaanse oppergod, Wodan. De Romeinen noemden woensdag dies Mercurii, de dag van Mercurius, god van de handel en winst.
- DONDERDAG: genoemd naar de Germaanse god van de donder, Donar (Thor). Donar werd vereenzelvigd met Jupiter, de Romeinse god van het onweer. Daarom vernoemden de German dies Iovis (de dag van Jupiter) naar Donar.
- VRIJDAG: genoemd naar Freya, de Germaanse godin van de vruchtbaarheid, liefde en wellust. De Romeinen vernoemden deze dag dies Veneris, naar hun tegenhanger Venus.
- ZATERDAG: vertaling van het Latijnse dies Saturni, dat letterlijk ‘dag van Saturnus (god van de landbouw)’ betekent. En Zater is een verbastering van Saturnus.

Hoe zijn de woordgeslachten (man, vrouw, onzijdig) ontstaan?
Zowel de onderscheiding in drie woordgeslachten als ook de benamingen  'mannelijk', 'vrouwelijk' en 'onzijdig' berusten op de leer van Aristoteles.
Het geslacht van een zelfstandig naamwoord werd gezocht in de betekenis van het woord. De namen van wezens en voorwerpen danken hun geslacht aan de mate van overeenkomst met kenmerkende vrouwelijke en mannelijke woorden uit de natuur. Zo zegt W.G. Brill in zijn Hollandsche Spraakleer(1846): "Mannelijk zijn desgelijks de namen der hooge en forsche boomen, vrouwelijk die der fijnere en kleinere heesters en kruiden." Ook werkwoordstammen zonder achtervoegsel (beet, gang, worp) werden vanwege hun 'oorspronkelijkheid' en 'energie' het mannelijk geslacht toegeschreven.

etymologiebank.nl
In de etymologiebank worden alle belangrijke etymologische publicaties van het Nederlands op woordniveau op één centraal punt en in chronologische volgorde aangeboden. Hier staat alles over de herkomst van een woord, woorddeel of uitdrukking en is het mogelijk om informatie te vergaren over o.a. betekenisontwikkelingen en  klankveranderingen.

Literatuurlijst
Philippa M. & Debrabandere (2003). Etymologisch woordenboek van het Nederlands: A - E. Amsterdam: Uitgeverij Amsterdam University Press.
Philippa M. & Debrabandere F. (2005). Etymologisch woordenboek van het Nederlands: F - Ka. Amsterdam: Uitgeverij Amsterdam University Press.
Philippa M. & Debrabandere F. (2007). Etymologisch woordenboek van het Nederlands: Ke - R. Amsterdam: Uitgeverij Amsterdam University Press.
Philippa M. & Debrabandere F. (2009). Etymologisch woordenboek van het Nederlands: S - Z. Amsterdam: Uitgeverij Amsterdam University Press.
Van Eerten, L. (2013). Waar komt pindakaas vandaan?: en 99 andere vragen over woorden. Amsterdam: Uitgeverij Amsterdam University Press.


Nog geen reactie. Wees de eerste die reageert!




<< Terug

Offerte

home_chicken.png

Vertaalkosten worden op woordbasis berekend. Het woordtarief verschilt per taalcombinatie. Facturering geschiedt op basis van het elektronisch getelde aantal woorden in de brontaal (de taal van...

Offerte >>