Gebarentaal voor doven en slechthorenden


Gebarentaal doven.jpg

Wat is gebarentaal?
Iedereen weet wel wat onder gebarentaal verstaan wordt, maar niet wat het precies inhoudt. Het is net als het Nederlands, Duits en Frans een zelfstandige taal. In dit geval gaat het om een non-verbale taal, waarbij je voornamelijk met je handen communiceert. De gebarentaal is speciaal ontwikkeld voor doven en slechthorenden. In de rest van het verhaal noemen we hen gemakshalve doven. Het is een visueel-manuele taal, waarin begrippen en handelingen door middel van handgebaren in combinatie met mondbeelden (visemen), mimiek en lichaamshouding worden weergegeven. Het is een natuurlijke taal met een eigen lexicon en grammatica; een taal die beantwoordt aan de communicatiebehoefte van een groep (in veel gevallen prelinguaal dove) mensen.

130 gebarentalen van dovengemeenschappen
De internationale index van talen onderscheidt 130 gebarentalen van dovengemeenschappen en drie van horendengemeenschappen. Veel landen en ook regio's kennen een eigen gebarentaal, die in zijn geheel losstaat van de gesproken taal van horenden. Voorbeelden van enkele landelijke gebarentalen zijn: NGT (Nederlandse Gebarentaal), VGT (Vlaamse Gebarentaal) en DGS (Deutsche Gebärdensprache). Daarnaast bestaan er ook regionale varianten, die vergelijkbaar zijn met gesproken dialecten.

DGS (Deutsche Gebärdensprache) ofwel de Duitse gebarentaal
Pas in 2002 werd de Duitse gebarentaal als een volwaardige taal beschouwd. Onderwerp van deze blog is de Duitse gebarentaal, omdat de schrijfster Duitse is en de minor Gebarentaal in Duitsland volgt. Een tolk gebarentaal verzorgt de communicatie tussen doven en horenden. Verder kan een video waarin gebarentaal gesproken wordt, ondertiteld worden.

Hoe onderscheidt de Duitse gebarentaal zich van het gesproken Duits?
De Duitse gebarentaal onderscheidt zich op veel fronten van het gesproken Duits. Ik beperk me tot het noemen van de verschillen die voor mij persoonlijk het meest interessant of opvallend zijn.
In de Duitse gebarentaal wordt helemaal niet gesproken. De grammatica van de gebarentaal is compleet anders dan die van het gesproken Duits. Zelfs voor iemand die talen studeert of meerdere talen spreekt, is het moeilijk om de gebarentaal onder de knie te krijgen. De grammaticakennis van meerdere vreemde talen doet je mogelijk denken dat de grammatica van de te leren gebarentaal ook moeilijk is, terwijl dat in de praktijk niet zo is. Daarentegen is het heel plezierig en uiterst interessant om een gebarentaal te leren. In de volgende alinea leg ik de zinsopbouw van gebarentaal aan de hand van enkele voorbeelden uit.

Zinsbouw gebarentaal
De zinnen van de gebarentaal zijn als volgt opgebouwd:
bijwoordelijke bepaling + onderwerp + lijdend voorwerp + werkwoord + vragend voornaamwoord.
Een eventueel bijvoeglijk naamwoord staat altijd achter het zelfstandig naamwoord. Werkwoorden worden niet verbogen zoals in de gesproken taal. Dat zou veel te ingewikkeld worden. Lidwoorden en koppelwerkwoorden komen in de gebarentaal niet voor.

Voorbeeld:
In spreektaal: ‘ik heet Corinna’ of ‘mijn naam is Corinna’.
In gebarentaal: Mijn | naam | C | O | R | I | N | N | A. Het koppelwerkwoord ‘zijn’ wordt weggelaten. De streepjes staan voor de aparte ‘woorden’ of gebaren voor de letters.
Steden waarvoor geen apart gebaar bestaat, moeten met het vingeralfabet gespeld worden (vingerspellen). Dat geldt ook voor straatnamen en namen in het algemeen. Bekende steden zoals Mannheim en Karlsruhe hebben hun eigen gebaren. Ook veel gebruikte achternamen – zoals Müller – hebben een eigen gebaar. De meer zeldzame achternamen moeten dan weer met het vingeralfabet gespeld worden.

Incorporatie van getal en de driehoek van persoonlijke voornaamwoorden
Twee ander basiskenmerken van de gebarentaal zijn de incorporatie van bijvoorbeeld getal en de driehoek van persoonlijke voornaamwoorden. Incorporatie wil zeggen dat twee gebaren in een enkele gebaar vertaald worden.

Voorbeeld:
Je wilt de tijdsduur van ‘drie weken’ gebaren. In spreektaal zijn dit twee woorden.
Rechtshandigen maken met hun rechterhand het gebaar voor ‘drie’: gestrekte duim, wijs- en middelvinger, kijkend in je handpalm.
Het woord ‘week’ gebaar je door met je duim en wijsvinger een C te vormen, terwijl de overige drie vingers tegen de handpalm liggen. Jijzelf kijkt op je handrug. Vervolgens beweeg je het gemaakte gebaar van middenvoor naar rechts, net zoals je een weekagenda met je hand tekent.
De incorporatie van beide gebaren is dan als volgt: je maakt het gebaar voor drie, kijkend in je handpalm, en beweegt je rechterhand naar rechts. Tot en met het cijfer tien vorm je op deze manier.

De persoonlijke voornaamwoorden kun je je als een driehoek voorstellen; zo worden ze ook gebruikt. ‘Ik’ is altijd bij je lichaam, ‘jij’ is bewegend vanaf je lichaam naar voren en ‘hij’, ‘zij’, ‘het’ en ‘zij meervoud’ is bewegend vanaf je lichaam naar rechts. Schematisch weergegeven ziet dit er als een driehoek uit.
Het gebruik van werkwoorden is nauw verweven met deze driehoek. Wanneer ik iets aan jou schenk, maak ik het gebaar van mijn lichaam naar voren. Schenk jij iets aan mij, dan is de beweging andersom. Schenkt daarentegen hij of zij iets aan jou, dan beweeg je je hand van rechts van je lichaam naar voren.
Bij persoonlijke voornaamwoorden wordt normaal gesproken het gebaar altijd met de wijsvinger gemaakt. Bij bezittelijke voornaamwoorden geldt ook deze driehoek, maar dan maak je het gebaar met de vlakke hand.

Wat leer je precies in een gebarentaalcursus?
Je leert de gebarentaal vanaf het allereerste begin op dezelfde wijze als een klein kind zijn moedertaal leert. Er wordt meteen in gebarentaal gesproken en de docent leidt je door het hele leerproces. In de eerste les kan er nog wel eens een tolk bij aanwezig zijn. Desniettemin bestaan er bijna geen communicatieproblemen.
Behalve een inleiding in de gebarentaal, krijg je ook les in de taalcultuur, de woordenschat, de zinsbouw, de omgang met doven en meer. Je leert ook dat je niet bang hoeft te zijn om fouten te maken.

Hoe gedraag je je in een dovengemeenschap?
Velen zullen zich afvragen hoe je een gesprek start met een dove persoon. Wanneer de persoon in kwestie niet ver van je verwijderd is, stamp je met je voet op de grond. De dove voelt de vibratie in de bodem en weet dan dat er iemand met hem in contact wil komen. Jij moet ervoor zorgen dat je op dat moment oogcontact met hem of haar maakt. Oogcontact is uiterst belangrijk en noodzakelijk bij de communicatie met doven.
Je zou de betreffende persoon ook even aan kunnen raken. Benader een dove persoon altijd van voren zodat deze je ziet aankomen. Ben je de gebarentaal niet machtig, gebruik dan toch zo veel mogelijk gebaren in je communicatie en ga vooral niet luider praten. Zo is het voor de persoon tegenover jou altijd makkelijker om je toch te kunnen begrijpen.

Wat inspireerde mij om de gebarentaal te gaan leren?
Mijn eerste ervaring met een doof iemand had ik enkele jaren geleden. De man kon praten, maar zijn echtgenote niet. Hij tolkte voor haar. Ik merkte meteen hoe moeilijk het voor iemand moet zijn die zich niet door gesproken taal verstaanbaar kan maken. Het is bijzonder lastig om je als horende in zo’n situatie in te kunnen leven. Vanaf dat moment begon ik erover na te denken om als taaldeskundige ook de gebarentaal te gaan leren. Temeer ook omdat ik van mening ben dat mensen niet omwille van een andere taal, cultuur of iets dergelijks uitgesloten mogen worden.
Wat me in al die jaren is opgevallen, is dat sommige dove mensen zichzelf enkele woorden hebben geleerd; woorden die ze ook hebben leren uitspreken. Maar hoe moeilijk moet dat wel niet zijn als iemand zichzelf niet hoort praten? De uitspraak van een persoon wiens moedertaal de gebarentaal is, kun je onmogelijk vergelijken met de uitspraak van een horend persoon.

Handalfabet
Het handalfabet of vingeralfabet is een verzameling gebaren waarmee alle letters van een alfabet kunnen worden uitgebeeld. Je gebruikt het handalfabet om namen, straatnamen, dorpen, steden en nog meer te vingerspellen. Verder is het handig als je bijvoorbeeld een vraag over woorden hebt. In dat geval gebaar je dat je een vraag hebt en vingerspelt vervolgens het woord waarvan je het gebaar niet kent. Dit wordt je al in de eerste les aangeleerd. Vooral in het begin van je communicatie zul je nog wel eens op het handalfabet terugvallen.  

Mondbeeld en gebaar
Het mondbeeld vormt een belangrijk onderdeel van de gebarentaal. Het mondbeeld onderscheidt zich vaak van het gebaar en is dan ook echt moeilijk om aan te leren.

Voorbeeld:
Neem de woorden ‘gaan wandelen’. Het gebaar voor ‘wandelen’ is het zigzag naar voren ‘lopen’ met wijs- en middelvinger. Maar dan hebben we nog het woord ‘gaan’. In combinatie met het mondbeeld – in dit geval het duidelijk articuleren van ‘gaan wandelen’ – maak je pas duidelijk dat je wilt ‘gaan wandelen’.
Weet dat het enkel- en meervoud een grote uitdaging vormt. Via mondbeeld wordt altijd het enkelvoud gesproken, ongeacht het enkel- of meervoud betreft. Je articuleert ‘huis mooi’ en gebaart tegelijkertijd dat drie huizen naast elkaar staan die van links naar rechts kleiner worden.

Hoe gebaar je?
Bij het gebaren wordt onderscheid gemaakt tussen links- en rechtshandigen. Ben je rechtshandig, dan gebruik je je rechterhand als “hoofdhand”. Alle gebaren die met één hand worden gemaakt gebaar je met de rechterhand; als linkshandige met je linkerhand. Bij gebaren die met twee handen worden uitgevoerd, is de rechterhand jouw actieve hand; bij linkshandigen de linkerhand.
In het algemeen geldt ook dat je groot gebaart, dat wil zeggen dat je het gebaar dusdanig maakt dat je goed kunt zien om welk woord het gaat. Een huis gebaar je vele malen groter dan tien centimeter, zodat alle details van het gebaar duidelijk te zien zijn.
Wanneer je een driehoek wilt uitbeelden, dan zoek je eerst met je linkerwijsvinger een referentiepunt van waaruit je met je rechterwijsvinger een driehoek tekent. Een linkshandige geeft met zijn rechter wijsvinger het referentiepunt aan.
Een klein detail nog betreffende het uitbeelden van het woord ‘schoonmaken’; je kunt de ronddraaiende beweging met vlakke hand verticaal of horizontaal uitbeelden, afhankelijk of je bijvoorbeeld een raam of tafelblad schoonwrijft.

Mimiek
Ook de mimiek ofwel gezichtsuitdrukking speelt een onmisbare rol in de gebarentaal. Bij het stellen van een vraag zijn je wenkbrauwen opgetrokken. Zo maak je meteen kenbaar dat je een vraag gaat stellen. Met mimiek maak je het onderscheidt tussen zinnen als ‘jouw hond is oud’ (gebaren zonder mimiek) en ‘Is jouw hond oud?’ (gebaren met mimiek). De zin wordt verder op dezelfde manier gebaard: ‘Jouw | hond | oud’.
Bij de modale hulpwerkwoorden (zullen, kunnen, mogen, moeten, willen) bepaalt de mimiek of het een bevestigende of een ontkennende zin betreft. Een bevestigende zin ondersteun je met een bevestigende hoofdknik en een normale gezichtsuitdrukking. Bij een ontkenning wordt het gebaar voor het modale hulpwerkwoord als alfa-teken weergegeven met een ontkennende hoofdknik. Let er in het laatste geval op dat je vooral niet glimlacht of vrolijk kijkt. Dit zou bij een ontkenning alleen maar verwarring oproepen.

Eigen ervaring
In de minor gebarentaal ben je niet alleen bezig met het leren van de gebarentaal en de cultuur, je leert vooral hoe je met mensen moet omgaan. Je bent in het dagelijks leven bewust bezig met hoe je overkomt en hoe je met mensen omgaat. En daardoor ontwikkel je weer meer mensenkennis. Belangrijk is wel dat je geen vooroordelen hebt, je altijd open staat om nieuwe mensen te ontmoeten en interesse toont. In de praktijk zul je ervaren dat (dove) mensen blij zijn wanneer je de moeite neemt om contact te maken. In feite hebben deze mensen geen handicap; ze spreken alleen een andere taal.
Voordat ik aan de minor gebarentaal begon, was ik in de veronderstelling dat dove mensen allemaal konden liplezen. De ervaring heeft mij inmiddels geleerd dat dat niet zo is, sterker nog, dat dat bijna onmogelijk is. Het feit dat iedereen een andere uitspraak heeft, maakt dat liplezen in de praktijk heel moeilijk is. En neem dan bijvoorbeeld de letters ‘p’ en ‘m’ in ‘papa’ en ‘mama’ die beide hetzelfde mondbeeld hebben.
Ongeveer 30% van de inhoud van een gesprek kan via liplezen verstaan worden. Liplezen is dan ook een noodzakelijke ondersteuning bij gebarentaal, zeker in gevallen waar een gebaar vier of meer betekenissen kan hebben en waarbij het mondbeeld allesbepalend is.
Het heeft grote indruk op mij gemaakt te zien hoe deze mensen het dagelijkse leven aankunnen, ondanks hun beperking. Ze zijn een voorbeeld voor velen, mede doordat ze zich niet klein laten krijgen.

In je dagelijkse leven ontmoet je veel interessante mensen, tenminste als je je daarvoor openstelt. Haal daarom taalbarrières weg door een of meerde vreemde talen en gebarentaal te leren, zodat je ook kunt spreken met die buitenlander, die alleen zijn moedertaal machtig is, of met die dove die alleen gebarentaal kent. Het enige verschil tussen anderstaligen en doven is dat die anderstalige wel jouw taal zou kunnen leren spreken, maar die dove persoon niet. 

Corinna Schmidt 


Nog geen reactie. Wees de eerste die reageert!




<< Terug

Offerte

home_chicken.png

Vertaalkosten worden op woordbasis berekend. Het woordtarief verschilt per taalcombinatie. Facturering geschiedt op basis van het elektronisch getelde aantal woorden in de brontaal (de taal van...

Offerte >>